dinsdag 1 mei 2018

De kerkhovenkwestie: de 2de ethische kwestie met Vrijmetselaars in de hoofdrol


De kerkhovenkwestie: de 2de ethische kwestie met Vrijmetselaars in de hoofdrol

  
Inleiding

Niet zelden in onze Belgische geschiedenis stonden katholieken en vrijzinnigen in politiek-ethische kwesties lijnrecht tegenover elkaar.

In de vorige eeuw hadden we het abortusdossier en het euthanasiedossier.
In beide dossiers moesten de katholieken de duimen leggen.
De abortuswet, of de wet Lallemand-Michielsens, maakte vanaf 3 april 1990 een einde aan het penaliseren van abortus onder bepaalde voorwaarden.

Om het euthanasiedossier erdoor te krijgen was een paarse meerderheid nodig. Het wetsvoorstel van Philippe Mahoux (PS), Jeannine Leduc (PVV/VLD), Philippe Monfils (MR), Myriam Vanlerberghe (SP), Marie Nagy (Ecolo) en Jacinta De Roeck (Agalev) werd op 16 mei 2002 door een paarsgroene meerderheid in de kamer goedgekeurd.

In beide kwesties spartelden de ultramontaanse Kamerleden tegen als duivels in een wijwatervat.

In de 19de eeuw stonden liberalen en katholieken ook in twee kwesties met getrokken messen tegenover elkaar.
Van 1878 tot 1884 tijdens het bewind van de liberale regering onder leiding van Frère-Orban, waarvan alle leden vrijmetselaar waren, woedde de eerste schoolstrijd.
Een tweede strijd begon in 1857 eveneens tijdens een compleet liberale regering onder leiding van Charles Rogier en eindigde pas in 1891 door een compromis tussen de kerkleiding en de katholieke regering Beernaert.
Deze strijd is de geschiedenis ingegaan als “de kerkhovenkwestie” en dit is het onderwerp van het bwst van hedenmiddag.



Ontstaan

Aan de basis van deze kerkhovenkwestie lagen het Edict van 26 juni 1784 afgekondigd door keizer Jozef II en het keizerlijk decreet van Napoleon van 23 prairial van het jaar XII, of in onze tijdrekening 12 juni 1804.

Het edict verbood twee zaken:
-        Het begraven in kerken en bedekte plaatsen zoals crypten;
-        Het begraven binnen stadsmuren.
Het verbod op begrafenissen in crypten was echter niet van toepassing op de keizerlijke crypte.

Trouwens, overledenen van onze koninklijke familie worden nog steeds in hun familiale crypte te Laken onder de Onze-Lieve-Vrouwekerk begraven. Ook bisschoppen mogen nog steeds in hun kathedraal begraven worden. Dit is toegelaten op grond van artikel 27 van het decreet op de begraafplaatsen en de lijkbezorging van de Vlaamse Raad van 16 januari 2004 dat het volgende bepaalt: “De bepalingen van dit decreet doen geen afbreuk aan de gebruiken in verband met de bijzetting van leden van het vorstenhuis en in verband met de bijzetting van de hoofden van bisdommen in hun kathedraal, […].” Onderscheid en voorrechten kunnen dus nog steeds en dit louter op grond van een gebruik, maar dit terzijde.

Een leuk weetje hierover is de herkomst van de uitdrukking “rijke stinkerds”. Het waren enkel hooggeplaatsten en kapitaalkrachtige overledenen die het voorrecht hadden om in een kerk begraven te worden. De graven in de kerken waren niet erg diep en bij de ontbinding van de lijken kwam het veel voor dat in kerken een diepdoordringende lijkengeur hing.

Het is echter het tweede verbod, begraven binnen stadsmuren, dat onrechtstreeks mede debet was aan de kerkhovenkwestie. Door het edict moesten er nieuwe ommuurde begraafplaatsen aangelegd worden. De parochiebestuurders draaiden op voor de kosten.
In kleine gemeenschappen zoals dorpen en gehuchten die samenvielen met een parochie werd nog lang na het edict rond de kerk begraven. In steden moest men sowieso noodgedwongen nieuwe begraafplaatsen buiten het centrum aanleggen omdat de begraafplaatsen volzet werden en een uitbreiding binnen het centrum onmogelijk was.

Het Napoleontisch decreet herhaalde veel van de regels van het edict en voegde er nog enkele zaken aan toe die rechtstreeks aanleiding gaven tot de strijd tussen liberalen en katholieken.
Volgens het decreet moesten gemeenten waar verschillende godsdiensten beleden werden over een begraafplaats beschikken voor de afgestorvenen van elk van die belijdenissen.
In het edict was zulks al voorzien, maar enkel voor protestanten.
In onze overwegend katholieke contreien betekende dit vooral dat op stedelijke begraafplaatsen aparte afgebakende gedeelten van de begraafplaatsen moest voorbehouden worden voor protestanten en joden. Moslims waren er hier nog niet anders was het kot zeker al onmiddellijk te klein.

In dorpen was dit meestal geen probleem, want daar was slechts zelden vraag naar een niet katholieke begraafplaats. Op elk kerkhof was er wel een plaats voorzien voor ongedoopte kinderen en zelfmoordenaars, het zogenaamde verdomhoekje of de hondenput. Deze voorbehouden plaats was niet-gewijde grond.
Katholiek gelovigen worden in gewijde grond begraven omdat voor hen de teraardebestelling een religieuze handeling is en de gewijde grond in feite als een verlengde, zeg maar een natuurlijk aanhangsel van de kerk werd aanzien.
Toen er vanaf ongeveer het midden van de 19de eeuw vooral in steden de eerste burgerlijke uitvaarten plaatsvonden duidde dit op een lacune in het voornoemde decreet. Er werd dan wel voorzien dat er voor elke geloofsgemeenschap een apart deel van de begraafplaats moest voorzien worden, maar wat met ongelovigen? De verdomhoekjes op de stedelijke begraafplaatsen zouden na verloop van tijd niet meer volstaan.
Nog liever dan een op apart gedeelte van het kerkhof zou de ultramontaanse geestelijkheid de ongelovigen in een totaal apart, van het kerkhof gescheiden stuk grond willen begraven.
De toenmalige kardinaal Dechamps verwoordde het zo: “De ongelovigen, de heidenen, de leden van de loge moesten zich maar op eigen kosten voorzien van scholen, tempels en kerkhoven van de onverschilligheid.”

De liberale regering Rogier-Frère-Orban kwam in 1857 aan de macht en van toen af laaide de liberaal-clerikale strijd in alle hevigheid op, vooral wegens het punt in haar agenda om de kerkhoven te seculariseren.
Het waren de kerkfabrieken die meestal eigenaar waren van de kerkhoven, zeker op het platteland en kleine steden. Er werd aan de kerkfabrieken het verbod opgelegd om nog langer gronden te kopen om kerkhoven aan te leggen. Dat voorrecht werd toebedeeld aan de gemeentebesturen en de staat en in die gronden mocht iedereen begraven worden ongeacht zijn of haar geloofsovertuiging.
De clerus vatte deze regeringsmaatregel op als een rechtstreekse oorlogsverklaring en dreigde ermee om deze gronden niet te wijden zodat er geen katholieken konden begraven worden.
Dat moment en die regeringsmaategel kan aanzien worden als het begin van de kerkhofkwestie.
Gedurende enkele decennia sleepte deze zaak aan en leidde soms tot episch, komische en ook dramatische taferelen op begrafenissen, maar daar zal ik het in een volgende hoofdstuk over hebben.


De oplossing


Het standpunt van de kerk in België werd door de Brugse bisschop  Mgr. Malou toegelicht in een publicatie uit 1860. Ik geef u een kort uittreksel uit deze publicatie.
De kerkelijke wetgeving beschouwt het kerkhof als natuurlijk aanhangsel van de kerk, vandaar het tekenend woord “kerkhof”. Daardoor behoort het eigendomsrecht van de kerkhoven essentieel aan de kerkfabrieken toe.
De wijding van de kerkhoven onderstreept het heilig en kerkelijk karakter. Begraven worden in gewijde grond maakt deel uit van de katholieke uitvaartliturgie. Begraven worden in gewijde grond betekent dat men gestorven is binnen de gemeenschap van de kerk. Het gewijde kerkhof is tevens een plaats van gebed waar de levende gelovigen uitgenodigd worden om te bidden voor hun overleden broeders en zusters die er gezamenlijk wachten op de dag van de verrijzenis. Door het wijden van de kerkhofgrond legt de kerk getuigenis af van haar geloof in de onsterfelijkheid van de ziel, de verrijzenis van het lichaam, het bestaan van een vagevuur en in de verdiensten van de gemeenschap der heiligen.
De profane begraafplaats waar gelovigen en ongelovigen door elkaar begraven liggen is aldus in strijd met de kerkelijke opvatting.
Einde citaat.

In 1891 kwam met goedkeuring van aartsbisschop Goossens van Mechelen een compromis tot stand. De wijding van gehele kerkhoven werd vervangen door de wijding van individuele graven zodat gelovigen en ongelovigen naast elkaar begraven konden worden.

Ultramontaanse burgemeesters legden zich hier niet bij neer en bleven burgerlijke uitvaarten dwarsbomen.





Gevolgen

De wetgevende maatregelen van de liberale regeringen waren dan wel fundamenteel maar het zijn niet de enige die de laïcisering vooruit hebben geholpen.

Nog vóór de pragmatische oplossing van de grafwijding in plaats van kerkhofwijding, sprak het Hof van Cassatie zich in een arrest van 1882 uit tegen de indeling in gewijde en niet-gewijde grond en dus de facto tegen burgerlijke begrafenissen. Dat had tot gevolg dat er vervolgingen werden aangespannen tegen gemeentebesturen en kerkfabrieken, maar lagere magistraten bleven in het algemeen voorstander van de gecontesteerde indeling.

De liberaal-klerikale strijd werd niet alleen op het politieke toneel gevoerd, maar ook in wat katholieken “goddeloze genootschappen” noemden.
Doordat er meestal geen andere mogelijkheid was dan een kerkelijke begrafenis had de geestelijkheid ook het monopolie over de plechtigheid en ook de middelen, zoals een lijkwagen of een rouwkleed. Het kwam dan ook veelal voor dat er bij burgerlijke begrafenissen die voorzieningen door de plaatselijke geestelijkheid werd geweigerd.
In 1855 werd in Brussel de Société d’Affranchissement” opgericht. Dit sociaal vrijdenkersgenootschap was een soort mutualiteit voor godsdienstloze begrafenissen. De leden betaalden een kleine maandelijks bijdrage hetgeen hen het recht gaf op een plechtige burgerlijke begrafenis.
De burgerlijke begrafenis werd dan ook aanzien als een afdoend middel om de volksklasse te ontkerstenen en dus los te rukken van de kerk, en dit onder de slogan: “Om eens de priester van de wieg te verwijderen, beginnen wij met hem af te wijzen bij het graf.”
Van de “Société d’Affranchissement” scheurde zich een groep af en richtte in 1857  “Les Solitaires, “Association pour l’enterrement civil” op. In 1864 volgde het nog radicalere genootschap “Société des libres penseurs”.

Ook in Gent ontstond er een vrijzinnig genootschap in 1852 aan het atheneum genaamd “’t Zal wel gaan”. Twee jaar later werd de uitvalsbasis verlegd naar de universiteit.

In het algemeen dragen tal van verenigingen ontwikkeld in het kielzog van het liberalisme en het vrije denken bij tot de bevrijding van de geesten van de invloed van de clerus.
Bijzonder op het vlak van onderwijs zoals de oprichting in 1864 van de “Ligue de l’Enseignement” met als doel de herziening van de schoolwet van 1842 en de neutraliteit van de openbare scholen droegen bij tot de secularisering van de bevolking. Ook de oprichting van de ULB in 1834 door vrijmetselaars, dus nog voor het begin van de kerkhovenkwestie, kan als kweekvijver van vrijzinnige opiniemakers aanzien worden.

Ten slotte kunnen we ook het aantal Franse bannelingen in ons land een aandeel toekennen in deze strijd. Na de onderdrukking van de februari-evolutie van 1848 in Frankrijk vluchtten heel wat revolutionairen met een levensbeschouwing waar geen plaats meer was voor godsdienstige overwegingen naar België en sloten zich aan bij vrijzinnige en liberale organisaties.

Burgerlijke uitvaarten niet zonder slag of stoot

Geen oorlog zonder slagveld.
De eerste burgerlijke begrafenissen gingen soms gepaard met vijandigheid door de bevolking, aangewakkerd door de pastoors en kenden soms een volkstoeloop, niet altijd uit sympathie uiteraard.
In steden steeg het aantal burgerlijke begrafenissen elk jaar.
In Brussel zijn ze in 1880 al goed voor een kwart van de totale teraardebestellingen.

Ik zal nu een aantal bekende en minder bekende burgerlijke uitvaarten kort beschrijven. Zoals ik in het begin van dit bwst al aangaf waren de taferelen soms dramatisch.

Een van de bekendste uitvaarten zonder kerk of priester was die van medestichter van de ULB, Pierre-Théodore Verhaegen.
De burgerlijke begrafenis van Verhaegen was dan wel niet de eerste in België, maar wellicht wel de roemruchtste. Op zijn sterfbed ergens in december 1862 uitte hij de uitdrukkelijke wens geen laatste sacramenten te willen ontvangen en burgerlijk begraven te worden. De rouwstoet vertrok aan het sterfhuis naar de begraafplaats van Brussel in Evere en werd gevolgd door duizenden mensen waaronder vele vrijmetselaars met hun decors.

In Gent voedt de burgerlijke begrafenis in 1858 van de student Adolphe Dufranne, lid van het al eerder in dit bwst genoemde vrijzinnig genootschap “’t Zal wel gaan” en van de “Solidaires” de woede van de katholieke kranten  en ontketenen een schandaal dat vakkundig werd gerecupereerd door de ultramontaanse krant “Le Bien Public”. Er worden opruiende toespraken gehouden. De universiteit kwam in opspraak omdat ze een afvaardiging van professoren en studenten naar de uitvaart had gestuurd.

Eveneens in Gent overleed in 1877 de kunstenaar-beeldhouwer en docent aan de Gentse Academie, Pierre Devigne en werd burgerlijk begraven. Een schepen van de stad stond op het punt een toespraak te houden aan de grafkelder maar dat werd hem verboden door de burgemeester een fanatiek klerikaal. De schepen antwoordde dat het zijn recht was om vrij te spreken zolang zijn toespraak de openbare orde niet zou verstoren. De burgemeester bleef bij zijn verbod. Sommige aanwezigen wilde hardhandig optreden tegen de burgemeester maar de schepen wist de gemoederen te bedaren door te beloven dat hij deze zaak voor de rechter zou brengen. De liberaal Jules Bara, minister van justitie in de regering Frére-Orban, vroeg uitleg aan de minister van binnenlandse zaken, ook een klerikaal, maar die laatste kon niet anders dan toegeven dat de burgemeester zich schuldig had gemaakt aan een aanstootgevende schending van de wet.

Gustave Callier was een van de Gentse professoren en een tijdje schepen van onderwijs die zich voor het stedelijk lager onderwijs heeft ingezet. Omwille van zijn standpunten werden meermaals bisschoppelijk banbliksems over hem en gelijkgezinde docenten uitgeroepen.
Callier sterft in 1863 op 44 jarige leeftijd. Hij weigert op zijn sterfbed elke vorm van kerkelijke bijstand en wordt burgerlijk begraven….in gewijde grond.
Pogingen om dat laatste te verhinderen werden door burgemeester Charles graaf de Kerchove de Denterghem, een notoir liberaal, verijdeld. Bisschop Delebecque spreekt van een “heiligschennende teraardebestelling”.

Ook in Antwerpen groeide het zelfvertrouwen van vrijdenkers die durfden te kiezen voor een burgerlijke uitvaart.
De eerste wordt toegeschreven aan de schilder Joseph Lies in 1865. Joseph Lies werd in 1842 ingewijd in de A L “La Persévérance”. Hij is een van de vele kunstenaars die in die periode lid werden van de loge.
In 1859 doen zich bij Lies de eerste symptomen van tuberculose voor. Lies overlijdt op 3 januari 1865. Velen komen zijn opgebaarde lichaam groeten.
Eduard Poffé schrijft hierover in zijn destijds populaire kroniek van het leven in Antwerpen tussen 1830 en 1880 “Plezante Mannen in een plezante Stad” het volgende: “Onze stadsgenoten die Lies kenden van kindsbeen, waren, als een stroom die stil-ruisend zeewaarts spoedt, ten sterfhuize getogen.”
Toenmalig burgemeester Van Put en zijn schepenen laten zich echter niet zien. Een notoir vrijmetselaar die bovendien een burgerlijke uitvaart wil, dat is voor hen een brug te ver.
Lies werd begraven in de zogenaamde “hondenhoek”. Protest van onder meer dichter Jan Van Rijswijck mochten niet baten. De bevoegde schepen verschuilt zich achter het decreet van Napoleon dat echter enkel spreekt over verschillende geloofsbelijdenissen en niet over vrijzinnigen, hetgeen ik al eerdere in dit bwst als een lacune in het decreet aangaf.

Een jaar later was het weeral hommeles in Antwerpen met de uitvaart van boekhandelaar en uitgever Herleyn, lid van de vrijdenkersvereniging “La Libre Pensée”. Op zijn sterfbed weigert hij de priester te ontvangen die hem de laatste sacramenten wil toedienen en eist een burgerlijke begraving. Hij werd daarin gesteund door zijn familie.
In de ogen van de pastoor van de Sint-Andrieskerk en van de diepgelovige bevolking is het hek van de dam. Herleyn is immers na Lies de tweede Antwerpenaar die een uitvaart zonder kerkdienst wil.
Twee dagen lang, opgezweept door de pastoor, komt de diepgelovige bevolking het sterfhuis met modder en stenen bekogelen.
Tijdens de uitvaart zelf moeten politie en rijkswacht de lijkkist met bajonet en getrokken sabel tegen de tierende menigte beschermen.

De eerste burgerlijke begrafenis in het overwegend katholieke West-Vlaanderen was deze van Leonie Tant op 4 januari 1874 in Roeselare.
Zij was gehuwd met Gustaaf De Brouckère, neef van de oud-minister en oud-burgemeester van Brussel Charles De Brouckère. De familie De Brouckère was een vooraanstaande liberale en vrijzinnige familie en fervente antiklerikalen. Leonie Tant had op haar sterfbed de laatste sacramenten geweigerd en plaatste zich daardoor vrijwillig buiten de kerk. Gevolg was dat zij niet in de grafkelder van haar familie mocht bijgezet worden, deze bevond zich immers in gewijde grond.
Deze eerste burgerlijke begrafenis wekte heel wat beroering zowel in de publieke opinie als in de pers.
Schrijver Albrecht Rodenbach, toen nog leerling aan het klein-seminarie schreef hierover aan een oud leraar: “Gij weet dat wij vandage te Rousselaere een enterrement civil zullen zien, te weten van madame Gustave De Brouckère-Tant, die biecht en gerechten geweigerd heeft. Men gaat ze begraven in den familiekelder in gewijde aarde.”
De katholieke pers was verontwaardigd omdat het precies in het zeer katholieke stadje Roeselare was dat de eerste burgerlijke begrafenis van een vrouw plaatsvond.
Er volgde een brief van de schoonbroer van Leonie Tant, notaris en liberaal voorman in Oostende Karel De Brouckère die stelde dat de familie een stuk niet-gewijde grond zou kopen en om dit kracht bij te zetten schreef in naam van heel zijn familie: “Tous, je dis tous, nous voulons être enterrés à coté de la noble défunte.” Hierop volgde een gesprek tussen de deken van Roeselare  en de bisschop van Brugge. Wat er besproken werd is nooit uitgelekt, maar de burgerlijke begrafenis vond plaats zoals de familie het wenste en Leonie werd in de familiegrafkelder bijgezet.
Blijkbaar was zowel de overheid als de kerk bang om nog meer schandaal te verwekken door deze bijzetting te verhinderen.
De Brugse bisschop was opgelucht toen hij vernam dat de “goddeloze manifestatie” kalm was verlopen en hij was vooral blij omwille van “de stortbui die een volkstoeloop naar het kerkhof had verhinderd.”

In Ukkel overleed in 1862 kolonel Demoor, die van het geloof afgestapt was. De burgemeester besloot desondanks om de gepensioneerde militair in gewijde grond te begraven, en beriep zich daarvoor op het argument dat de geloofsverzaking van de overledene hem niet aanging. De kerkfabriek van de parochie richtte een petitie tot de Kamer van volksvertegenwoordigers om de ontgraving te eisen.
In de debatten hierover verdedigde kamerlid Louis Defré, een radicaal progressief liberaal en vrijmetselaar, de handelwijze van de burgemeester. Deze Louis Defré werd in 1856 lid van de loge “Les Amis Philanthropes”. In zijn loge gaf hij een uiteenzetting waarin hij de afschaffing van de doodstraf bepleitte. In 1865-1866 was hij Grootredenaar van het Belgische Grootoosten en in die hoedanigheid hield hij op 10 februari 1866 de herdenkingsrede bij het overlijden van koning Leopold I.
Leopold I trouwens werd als protestant toch bijgezet in de crypte in Laken naast zijn tweede katholieke echtgenote. Omdat koning Leopold praktiserend protestant was weigerde hij een katholieke lijkdienst. Er werd besloten in de achtermuur van de crypte een extra ingang te maken, zodat het lichaam van de overleden koning niet door de kerk hoefde.

Iets korter bij onze werkplaats, met name in Tongeren werd de burgerlijke begrafenis van August Noyen, een algemeen geacht notabele en gekend vrijdenker, op 21 december 1873, ondanks het voorafgaande negatieve advies van de kerk toch opgeluisterd door muziekmaatschappij Casino. Het hieruit resulterende conflict leidde ertoe dat Casino voortaan de toegang tot alle kerkelijke diensten en processies ontzegd werd, en dat er zich een aantal muzikanten afscheidden om een nieuwe katholieke harmonie Concordia te stichten.


Politieverslagen en rechtszaken

Soms werden er naar aanleiding van schermutselingen tijdens burgerlijke uitvaarten politieverslagen geschreven en werden sommige protagonisten voor de rechtbank gedaagd.

De politie verzocht soms de familie om van een burgerlijke begrafenisplechtigheid af te zien omdat de lijkredes die bij zulke uitvaarten werden gehouden dikwijls een politieke ondertoon hadden. Een politierapport maakte gewag van tal van uitspraken tijdens een lijkrede die kwetsend waren voor het katholieke geloof.
Op 21 februari 1851 had de gouverneur van de provincie Brabant via een omzendbrief aan de gemeentelijke autoriteiten een verbod afgekondigd op alle ceremoniële activiteiten, manifestaties en redevoeringen bij burgerlijke begrafenissen.

Op 11 maart 1889 moest de katholieke burgemeester van Asse voor de rechtbank komen omdat hij de Zwartzusters in zijn gemeente toelating had gegeven om een zuster op hun eigen kerkhof te begraven. Vele kloosters hadden in die tijd een eigen begraafplaats, maar dat werd door het decreet van 1804 niet meer toegestaan. De liberalen zagen hun kans schoon en klaagde de burgemeester en de Zwartzusters aan bij het gerecht. Burgemeester De Viron werd veroordeeld tot een boete van 26 frank. Moeder overste van de Zwartzusters en een medezuster werden elk veroordeeld tot een boete van 5 frank.

In Sint-Denijs kon het nog erger. De kerkfabriek besloot in 1851 om een nieuwe kerk te bouwen. Het oude kerkhof wilde ze wel behouden, maar zowel het gemeente- als het provinciebestuur eiste dat dit oude kerkhof zou ontruimd worden en dat er een nieuwe begraafplaats buiten de dorpskern moest worden aangelegd. Dat gebeurde pas in 1863, maar de bisschop weigerde om deze grond te wijden en elke kerkdienst en gebeden werden ontzegt voor iedereen die op het nieuwe kerkhof werd begraven. Vijf jaar later sluit de burgemeester het oude kerkhof.
In een ultramontaans blad werden opruiende artikels geschreven in termen van vuur terreur en brand. De boodschap vindt gehoor bij de plaatselijke gelovige bevolking en in de weken na de publicatie werden hooimijten in brand gestoken en werd oogst vernield bij vooraanstaande liberalen.
Het parket komt ter plaatse en een kapelaan, verdacht van het publiek beledigen van de overheid tijdens de uitoefening van zijn ambt slaat op de vlucht naar Engeland.
Uiteindelijk worden in 1869 zware straffen uitgesproken tegen de oproerkraaiers en brandstichters, gaande van 15 jaar dwangarbeid tot 5 jaar gevangenisstraf. De gevluchte kapelaan krijgt twee maanden gevangenis en een geldboete.
De dorpsruzie omtrent kerk en begraafplaats woedde echter voort. Bij elke bestuurswissel van liberalen tot katholieken en omgekeerd werd de nieuwe begraafplaats gesloten en de oude in ere hersteld en vice versa.
Ook de pastoor werd uiteindelijk aangeklaagd omwille van dezelfde overtreding als de destijds gevluchte kapelaan. In 1878 werd de pastoor veroordeeld tot 53 dagen gevangenisstraf.

Baron Kervyn de Volkaersbeke, burgemeester van Nazareth werd voor het gerecht gedaagd omdat hij een zelfmoordenaar in ongewijde grond deed begraven. Hij werd echter vrijgesproken omdat de rechtbank oordeelde dat het tegen geen enkel bestaande wet was om iemand in ongewijde grond te doen begraven.  Hij kreeg wel een boete omdat de plaats waar de zelfmoordenaar werd begraven niet werd onderhouden en ongeschikt was.  Het openbaar ministerie ging hiertegen in beroep en de baron werd in beroep veroordeeld tot acht dagen gevangenis. Het hof van beroep baseerde zich op een arrest van het Hof van Cassatie dat stelde dat volgens het decreet van 1804 dat nog steeds in voege was, alleen in steden en gemeenten waar verscheidene erediensten worden beleden de kerkhoven mogen verdeeld worden . Dus op plaatsen waar slechts één godsdienst werd beleden zoals in Nazareth moeten alle overledenen de een naast de andere begraven worden.

Besluit

Net zoals in zowat alle kwesties waarin ultramontanen en vrijzinnigen tegenover elkaar stonden werd ook in de kerkhovenkwestie in hoge mate richting gegeven door de vrijmetselarij. Dat geldt trouwens voor alle zaken die de secularisatie van het volk aangingen en nog steeds aangaan.
Deze ethisch getinte discussie had een niet te onderschatten draagkracht binnen de seculiere kringen en werd één van de meest bittere confrontaties tussen kerk en vrijzinnigen.

De kerk is echter nog lang niet uitgespeeld en heeft nog tal van vertegenwoordigers en pleitbezorgers in de politiek en het koningshuis, getuige de weigering van Boudewijn om de abortuswet te ondertekenen..
Wij vrijmetselaars mogen gerust verdraagzaam zijn tegenover gelovige profanen, maar we moeten wel waakzaam blijven, want de ultramontanen in onze samenleving zullen geen kans onbenut laten om sommige seculiere klokken terug te draaien.


woensdag 14 juni 2017

Samusocial: wat de Vrijmetselarij opbouwt breekt de politiek weer af

Samusocial, een onfris verhaal waar Vrijmetselaars of vermeende Vrijmetselaars een kwalijke rol speelden, beheerste een tijdje de politiek en het nieuws.
Nu de storm in hevigheid afneemt kan ik het toch weer niet laten om mijn mening te ventileren via mijn Maçonniek blogje. De aanleiding van dit schrijfsel is weeral een artikel in de Morgen, neen, deze keer niet van JDC, maar opnieuw is de teneur naar de Vrijmetselarij toe negatief. Zo kennen we de Morgen wel.

Over de feiten kan ik kort zijn, ze zijn genoegzaam bekend.
In de VZW Samusocial, een vereniging ten dienste van Brusselse daklozen werd het niet zo nauw genomen met ethiek. Enkele leden van de VZW, ook politiek actief op het hoogste echelon in de Brusselse gemeenteraad en het OCMW verrijkten zich door zich zitpenningen te laten uitbetalen voor vergaderingen waarvan het plaatsvinden nog moet aangetoond worden.

Voordat Samusocial in handen viel van het Brusselse OCMW was het een privéorganisatie in de vorm van een VZW, opgericht in 1998 door de Brusselse loge Les Amis Philanthropes n° 1 naar aanleiding van hun 200-jarig bestaan in 1997.

Toen de voormalige directrice een gift van een Brusselse synagoge verdeelde onder het personeel in plaats van deze gift in de boekhouding te schrijven, moest ze opstappen, maar werd door de politiek opgevist als OCMW-voorzitter waardoor ze opnieuw in de raad van bestuur van Samusocial terecht kwam.
Volgens de Morgen zou deze voormalige directrice op dat moment - het moment van haar aanstelling als directrice – nog geen lid van de loge zijn geweest.
Let op het woord “zou”.
Of ze dat later wel werd komen we van deze gazet van de antimaçonnieke liga niet te weten. Van een andere protagonist uit het hele verhaal en iemand die vanaf het begin als toenmalig OCMW-voorzitter bij Samusocial betrokken is, nl. de onlangs opgestapte burgemeester van de hoofdstad, schrijft de antimaçonnieke Morgen dat hij wellicht lid was van een loge die afhangt van een andere obediëntie - dan Les Amis Philanthropes – de Belgische Federatie Le Droit Humain, maar dat vormde geen probleem voor de oprichters.
Let hierbij op het woord “wellicht”.
En ik maar denken dat zichzelf respecterende journalisten niets schrijven zonder te checken en te dubbelchecken. Blijkbaar zijn vermoedens tegenwoordig voldoende bewijs, ten minste als het over de Vrijmetselarij gaat.

Van bij de opstart van de VZW was er een begeleidingscommissie aangesteld door de oprichters. Toen de ex-directrice/ex-bestuurslid/ex-OCMW-voorzitter het niet langer nodig vond dat deze begeleidingscommissie over haar schouder meekeek werd samen met de commissie eveneens de oprichtende loge buitenspel gezet. Indien je als organisatie geen pottenkijkers duldt dan is er geheid stront aan de knikker en de feiten spreken voor zich.

Conclusie van de hele zaak is dat de goede filantropische bedoelingen van de Vrijmetselarij misbruikt werden door politici, al dan niet Vrijmetselaars, voor persoonlijke verrijking.
De Vrijmetselarij bouwt op en politici breken af.
Moesten de hoofdrolspelers Vrijmetselaars zijn mogen ze voor mijn part buitengezwierd worden.

zondag 23 april 2017

Vrijmetselarij weer onder vuur en De Ceulaer doet er een schepje op

Vrijdag 14 april in De Standaard en zaterdag 15 april in De Morgen verschenen twee artikels over Vrijmetselarij en haar leden. Schrijvers van dienst waren, voor De Standaard Stijn Cools en voor De Morgen Joël De Ceulaer. Het stuk van De Ceulaer was een opiniestuk in de vorm van een essay, dat van Cools was gewone berichtgeving met getuigenissen.

Ik heb een week gewacht met het schrijven van dit commentaar. Ik was niet zeker of ik wel überhaupt iets zou schrijven. Ik heb dan ook beide artikels enkele malen herlezen om zeker te zijn dat ik alles wel goed had gelezen, en dan voornamelijk het stuk in De Morgen.

Aanleiding was het artikel, ook in De Morgen, van Remy Amkreutz en Yannick Verberckmoes: Groep in loge zet druk op rector UGent: "Neem niet deel aan verkiezing" met als ondertitel Rectorverkiezing in sfeer van intimidatie.
In dat artikel wordt gesuggereerd dat de huidige rector van UGent, Anne De Paepe, onder druk werd gezet door Vrijmetselaars - een groep prominente academici en bestuurders volgens De Morgen - aan diezelfde UGent om niet aan de volgende rectorverkiezingen deel te nemen.

Anne De Paepe is van katholieke signatuur en er zou binnen de UGent een ongeschreven regel bestaan dat er na een katholiek een Vrijmetselaar zou volgen aan het hoofd van de unief. Zowel De Paepe zelf als Yannick De Clercq - zelf Vrijmetselaar - zouden dat bericht bevestigd hebben.
Weer een onfrisse historie met Vrijmetselaars in de hoofdrol, weer een conspiratief verhaal dat “De Loge” met de billen bloot zet, daar smullen de mensen van, moeten ze op sommige redacties hebben gedacht.

Als dat nieuws van die intimidatie klopt, dan is dat not done, Vrijmetselaars of niet, en dan moet dit naar buiten gebracht worden, punt. Als het klopt en er zijn Vrijmetselaars bij betrokken, dan vind ik dat beschamend voor de Vrijmetselarij en elke Vrijmetselaar onwaardig. Voor mij mogen zulke broeders en/of zusters aan de tempelpoort gezet worden. In elke vereniging zitten leden met niet al te beste bedoelingen. En ja, ook de Vrijmetselarij wordt al eens besmet door wat men noemt “carrièremaçons”. Ik ken er zo wel enkelen en ik moet ze niet.

Ik vraag me wel af of dit verhaal dezelfde weerklank zou gehad hebben moesten er geen Vrijmetselaars in vernoemd worden, of indien het katholieken waren die een vrijzinnige - al dan niet Vrijmetselaar - onder druk hadden gezet.

Even naar de artikelen van 14 en 15 april.

In De Standaard laat redacteur Stijn Cools een lid van de raad van bestuur van UGent aan het woord die, anoniem, stelt dat het “meer met persoonlijkheden te maken heeft dan met complottheorieën”. Deze getuige zegt ook dat er elke vier jaar tijdens de rectorverkiezingen weer geruchten opduiken dat er vanuit een of andere zijde invloed uitgeoefend wordt.

Een tweede getuige zegt dan weer dat hij nooit iets van beïnvloeding heeft gezien en noemt de huidige heisa meer perceptie dan iets anders.

Verder komt ook een bekende Vrijmetselaar aan het woord, met name Jacky Goris die het verhaal van een complot van de loge gewoon flauwekul noemt. Goris vreest dat bepaalde individuen kandidaat-rector Rik Van de Walle in diskrediet willen brengen.

Het opiniestuk van Joël De Ceulaer is dan weer andere koek. Zijn toon mag dan al iets milder zijn dan in zijn vorige tirade tegen de Vrijmetselarij in De Morgen (zie mijn vorig blogartikel in de vorm van een open brief: http://discretemortel.blogspot.be/2016/06/open-brief-aan-joel-de-ceulaer.html), hij kan het toch niet laten om bovenop de negatieve perceptie nog een schepje beschadiging aan toe te voegen.

De Ceulaer ergert zich blijkbaar over het feit dat er nogal wat Vrijmetselaars zijn die de negatieve berichtgeving over Vrijmetselarij in De Morgen bekritiseren. Ik erger mij aan De Ceulaer omwille van zijn voortdurend geschimp op een club die enkel maar goede bedoelingen heeft en waarvan een kleine minderheid buiten de lijntjes kleurt, net zoals dat in alle clubs, bewegingen, partijen en genootschappen zo is. Nergens echter worden de foute strapatsen van enkele individuele leden zo uitvergroot als in de Vrijmetselarij.

Ook in het essay van De Ceulaer wordt weeral de nadruk gelegd op bekokstoven en samenzweringen. Hij haalt een anekdote aan van Stijn Meuris die ooit door Steve Stevaert werd gepolst om lid te worden van de loge waarbij Stevaert gezegd zou hebben dat “als ge dan eens iets aan de hand hebt, dan kunnen we dingen regelen.”

Zulke uitspraken zijn uiteraard gefundenes Fressen voor de anti-maçonnerie en De Ceulaer maakt daar dankbaar gebruik van. Ook in zijn vorig stuk over Vrijmetselarij werd Stevaert al in negatieve zin aangehaald. Het getuigt dan ook van feitenarmoede om steeds dezelfde Vrijmetselaar aan te halen die niet vies was van wat bekokstoverij.

Ook Termont en Bracke worden weeral opgevoerd, zij het terzijde bij de geschiedenis van Mario Verstraete, lid van dezelfde loge, die als eerste in België gebruik heeft gemaakt van de euthanasiewet. Mario werd tot op het einde bijgestaan door zijn Broeders Vrijmetselaars. Mooi vindt De Ceulaer dat, maar hij vindt het ook een gemiste kans voor de Vrijmetselarij om op positieve manier uit de kast te komen. “Als mooie verhalen verborgen blijven, integere vrijmetselaars in de kast blijven zitten en alleen de schandalen het nieuws halen, dan mag je niet verbaasd zijn dat je met een imagoprobleem worstelt. Dan heb je dat vooral aan jezelf te danken.” Schrijft De Ceulaer. Ik geef hem gedeeltelijk gelijk. Met alleen schandalen komt de Vrijmetselarij slecht uit de verf, maar eigen schuld, dikke bult, neen, daar ben ik het niet mee eens. Hier is dan ook een taak weggelegd voor de journalistiek in het algemeen. Mooie verhalen komen niet in het nieuws. Mooie verhalen hebben geen smeuïge nieuwswaarde. Het zijn de complottheorieën waar krantenlezers van lusten.

Ik roep Joël De Ceulaer en zijn collegae dan ook op om Vrijmetselarij positief te benaderen in plaats van steeds te focussen op het negatieve, want het is zoals Jacky Goris zegt: “Ik zie een paradox: die complottheorieën maken het moeilijk om zich bekend te maken als vrijmetselaar. Ze riskeren in die verdachtmakingen terecht te komen.” En dat precies is de schuld van de negatief ingestelde pers.

Zoals steeds zit het venijn in de staart. De Ceulaer beëindigt zijn essay met de positieve discriminatie. Vrijmetselaars beloven hun Broeders en Zusters bij te staan, niet alleen in nood, maar ook als ze een baantje zoeken. Indien er na een selectie twee evenwaardige kandidaten overblijven waarvan één lid van een loge is, dan kiest men als Vrijmetselaar voor zijn Broeder of Zuster. Dat klopt. Is dat zo verkeerd? Dat gebeurt toch overal op elk niveau. Jongens die vroeger bij Patro Eisden voetbalden kregen een mooi baantje bij de steenkoolmijn. Nu nog, als een amateurvoetballer bij de ploegsponsor die toevallig ook ondernemer is, gaat aankloppen voor een job, dan heeft hij toch ook een beentje voor. En laat ons in dezen over de politiek maar zwijgen, we weten allemaal hoe het eraan toe gaat met de juiste partijkaart.

Wat mij het meest ergert aan het essay van De Ceulaer is dat hij beweert dat Vrijmetselaars zulke positieve discriminatie beloven bij hun inwijding en dat zij een eed moeten zweren om elkaar positief te discrimineren zonder dat de buitenwereld daar ooit lucht van kan krijgen.

Het is zulke vooringenomenheid van sommige kwaadwillige journalisten die het negatieve beeld van de Vrijmetselarij bestendigen.


Ik daag Joël De Ceulaer dan ook uit om mij één rituaal te tonen, van welke obediëntie of federatie dan ook, waarin een eed tot positieve discriminatie staat. Indien hij daarin slaagt dan zal ik ootmoedig mijn verontschuldigingen aanbieden. Tot dan zal ik Joël De Ceulaer blijven aanzien als een anti-maçon of een moderne Léo Taxil.

dinsdag 28 juni 2016

Open brief aan Joël De Ceulaer

Geachte heer De Ceulaer,


Uw opiniestuk in De Morgen van 27 juni over Daniël Termont verbaasde mij in die zin dat ik niet begrijp dat een intelligent mens – en dat bent u toch, of niet? – in de 21ste eeuw nog gelooft in complottheorieën. Eigenlijk denk  ik niet dat u daarin gelooft, het komt mij eerder voor dat uw opiniestuk past in een hetze tegen of een afrekening met de sp.a in het algemeen of met één of meerdere sp.a-ers in het bijzonder.

Is het misschien uit rancune. Heeft u ooit aangeklopt bij een loge en bent u geweigerd? Zo zijn er nog hoor.

De Morgen laat al langer geen gelegenheid onbenut om de sp.a en haar mandatarissen te beschimpen of te belasteren. Uw krant draagt het socialistisch gedachtengoed dan ook al lang niet meer uit en noemt zich onafhankelijk. Bij dat laatste heb ik toch mijn bedenkingen. Zij is nu eerder liberaal. Of dit laatste te maken heeft met het feit dat de krant is overgenomen door de Persgroep, met als CEO een liberaal in hart en nieren, laat ik in het midden. Schijn kan bedriegen, nietwaar.
Nu, voor mij niet gelaten, maar laat een krant zich niet onafhankelijk noemen als zij schrijft in functie van haar broodheren.

Maar laat mij het nu even hebben over de Vrijmetselarij en over de inhoud van uw opiniestuk.

Ik spring onmiddellijk naar de laatste alinea, want wat u daar poneert vind ik ronduit een extreemrechts idee. Volgens u moeten politici, magistraten en journalisten hun lidmaatschap van de loge bekendmaken. U treedt daarmee in de voetsporen van het Vlaams Blok. U weet wellicht nog wel dat het VB in augustus 2006, ten tijde van het zogenaamde droogleggingsproces, maar liefst 32 van de 48 Staatsraden wilde wraken wegens partijdigheid omwille van hun vermeend lidmaatschap van de loge.  
Ik hoop en durf aan te nemen dat u zich niet verwant voelt met die extreemrechtse club, maar het kwaad is geschied, u schrijft uw wensen neer, net als het Vlaams Blok. Dat verontrust mij zeer, te meer daar het in een zogenaamd onhankelijk dagblad staat. Verba volant, scipta manent, weet u wel.
Zou u ook overwegen om van alle gezagsdragers en journalisten te eisen om hun lidmaatschap van, en ik noem maar wat, Opus Dei of het Sint Maartensfonds bekend te maken? En dan ga ik één ruk door, ook maar de gestelde lichamen? Men ziet u al aankomen.

Wat mijnheer Termont betreft, insinueert u feiten die totaal van de pot gerukt zijn, zoals: “Hebt u ooit een partijtje strippoker gespeeld op zijn jacht?”. Wat beoogt u met dit leugenachtig gestook? Of is het misschien humoristisch of satirisch bedoeld? Ik denk niet dat er ook maar iemand mee kan lachen, en de heer Termont al helemaal niet. Heeft u trouwens al ooit gehoord van het vermoeden van onschuld?
Termont heeft mijns inzien vooral slecht en paniekerig gecommuniceerd. Hij had beter, zoals Mitterand,  over zijn aanwezigheid op een of andere boot gezegd: “Et alors?”
En trouwens, wat is het belangrijkste, dat Termont bevriend was met iemand waarvan nu blijkt dat het een sjoemelaar is of het gesjoemel zelf. En moest blijken dat ook Termont boter op zijn hoofd heeft, dan moet het gerecht zijn werk doen. Journalisten veroordelen al te vaak mensen nog voor ze in beschuldiging zijn gesteld.
Ik ga nog even door mijnheer De Ceulear.

In uw stuk komen de namen voor van Siegfried Bracke en Steve Stevaert.

Is het misschien Bracke die u ingelicht heeft, ook over de naam van de werkplaatst?
Heeft Bracke de discretie doorbroken? Het is alleszins zo dat de Vrijmetselarij al een tijdje een visceraal wantrouwen  heeft in Bracke. De Optimazaak is voor die man dan ook Gefundenes Fressen om de sp.a aan te vallen.
En Stevaert, ach, intussen weten we wel dat hij niet zo een beminnelijk man was als hij deed uitschijnen. Hij schermde zijn privéleven zo veel mogelijk af, en dat hij dan boos werd tot daar toe, maar mensen bedreigen is verwerpelijk, een Vrijmetselaar onwaardig, maar het is een smeuig feit dat graag gelezen wordt.

Wat het doorspelen van, en ik citeer, “baantjes en ander lekkers” en de belofte van “positieve discriminatie” van Vrijmetselaars onder elkaar, daar moet ik toch even bij (glim)lachen. Vrijmetselaars helpen elkaar indien nodig, maar zij helpen ook mensen buiten de loge, getuige de vele steunverlenende projecten in binnen- en buitenland die de werkplaatsen opzetten.
Trouwens, in elke club gaat dat zo, bij de Lions Club, de Rotary, de Kiwanis, de vele golf- en tennisclubs, en ja, ook bij de duivenbond en de vogelpikclub. Elke club naar haar en elk lid naar zijn vermogen.

Ten slotte wil ik nog dit meegeven mijnheer De Ceulaer; DE Vrijmetselarij of DE Loge bestaat niet, er is geen algemene uniformiteit. En HET geheim bestaat al evenmin. Wij zijn geen geheim genootschap maar een discreet genootschap.
Elke Vrijmetselaar is vrij om zich te outen, niemand is dat verplicht.
Dat er nog steeds vele Vrijmetselaars zijn die er niet voor durven uitkomen, komt door mensen als u, die zonder er ook maar een yota over te weten steeds klaar staan om te veroordelen. Er zijn nog steeds vele Vrijmetselaars die vrezen voor broodroof wanneer hogergeplaatsten er weet van hebben.

Dus mijnheer De Ceulaer, bevraag u eens bij echte Vrijmetselaars in plaats van bij rancuneuze pseudobroeders als Bracke. U moet er toch wel wat kennen bij de VUB.

In deze brief staan vele vragen, en ik zou zeggen, nu u toch bezig bent met opiniestukken te schrijven, ga voor de korte pijn en beantwoord al deze vragen.

Met de meest broederlijke groeten,


Een Vrijmetselaar die zijn privéleven afschermt.
(ik ben dan ook noch politicus noch magistraat noch journalist, maar een gewone bediende)


maandag 27 juni 2016

Referendum van het Verenigd Koninkrijk: overwinning van de voorstanders de Unie te verlaten


Europees Forum van Vrijmetselaars
juni 2016
Infoletter 68
Referendum van het Verenigd Koninkrijk:
overwinning van de voorstanders de Unie te verlaten
"Fools, whose only gift is in devising impossible slanders."
vrij naar William Shakespeare

Op 23 juni 2016 heeft een meerderheid van de Britse kiezers zich uitgesproken voor het verlaten van de Europese Unie. De kiescampagne die eraan vooraf ging heeft het land diepgaand verdeeld, haat was daarbij niet uit de lucht, wat geleid heeft tot de moord op de Britse pro-Europese MP, Jo Cox. Een gelijkaardige haat lag aan de oorsprong van de moord in 2003 op de Zweedse minister van buitenlandse zaken, Anna Lindh, naar aanleiding van het referendum in haar land over de eenheidsmunt.
Het is blijkbaar de kwestie van de migratie die de balans heeft doen doorslaan, nadat het pro-exit kamp de schrik aangewakkerd had voor de massale migratie vanuit de Oost- en Zuid-Europese landen, met opwekken van bij de Britten niet vermoede xenofobe en racistische gevoelens.
En zeggen dat dit alles misschien slechts het gevolg is van een pokerspel van M. Cameron voor een zuiver nationale electorale agenda. Nu blijkt dat hij niet alleen Europa in gevaar brengt maar ook zijn eigen Brits Koninkrijk.
Aan ons nu om te trachten te begrijpen waarom de Britten die keuze gemaakt hebben, wat dit betekent voor de 27 overige lidstaten, en ons af te vragen hoe te beletten dat andere Europese landen dezelfde weg opgaan.
Tussen het Verenigd Koninkrijk (VK) en de Europese Unie is er nooit 'de grote liefde' geweest. Een belangrijk deel van zijn bevolking is inderdaad al altijd tegen de EU geweest, zowel vóór als na de aansluiting in 1973. Op te merken valt dat de meerderheid van de Britse media niet gestopt is, dag na dag, een lasterlijke campagne te voeren, o.a. met verscherpen van de eurofobe toon door Boris Johnson, toen hij in de jaren 90 correspondent was van de 'Telegraph' in Brussel. Een hersenspoeling van meer dan 43 jaar die ongetwijfeld sporen nagelaten heeft bij de bevolking.
In het VK is de belangrijkste steun voor de Unie gekomen van de grote ondernemingen, in de eerste plaats van de financiële maatschappijen die een goed deel van hun winsten gehaald hebben uit de Europese eenheidsmarkt. Het is precies om te kunnen profiteren van de voordelen van deze markt dat een groot aantal van deze ondernemingen ervoor gekozen hebben zich in het VK te vestigen, alhoewel ze noch Brits noch Europees waren.
De politieke verantwoordelijken en de Europese en Britse ambtenaren zullen nu voor de gevolgen van de Britse exit moeten instaan. Die zullen vooral voor Groot-Brittannië belangrijk zijn, niet noodzakelijk ook zo voor de rest van de EU. Een beperkte groep ambtenaren en politieke verantwoordelijken van de Europese Commissie en de Raad van Ministers kan perfect de besprekingen leiden, terwijl de anderen zich kunnen toeleggen op de toekomst van de Unie.
Het is evenwel niet uitgesloten dat in sommige lidstaten – we weten niet hoeveel – de bevolking, onder druk van de populistische wind in Europa, zal aandringen op het organiseren van een referendum over de toekomst van hun land binnen de Unie. Dit is wat de verantwoordelijke leiders van de EU het meest vrezen. Op dit ogenblik kan immers niet voorspeld worden welke omvang deze eis zou kunnen nemen. Nochtans moeten wij, als leden van het EFVM / de EVVD die het Europees project steunen, dit scenario niet lichtvaardig opnemen, gezien de omvang van de verwerping van de EU waarvan we allen getuige zijn. Aan de andere kant zou Schotland vrij snel een nieuw referendum kunnen organiseren met het oog op zijn onafhankelijkheid, om deel te kunnen blijven uitmaken van Europa, met verbreken van de eenheid van het Verenigd Koninkrijk. Een dergelijk referendum zou trouwens de eisen van de separatisten die van zich laten horen in meerdere lidstaten kunnen aanwakkeren.
Het vertrek van Groot-Brittannië zou heel goed de elektroschok kunnen zijn die nodig is om opnieuw het idee te lanceren van een "steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa" die de Britten nu hebben verworpen. Als er een waarachtige wil aanwezig is van de bevolking van sommige landen van de Unie, hoe weinig talrijk ook, om verder te gaan op weg naar een grotere integratie, zouden hun politieke verantwoordelijken kunnen beslissen dat het ogenblik gekomen is om een nieuw project van de Unie voor te stellen en zich tot hun gezamenlijk electoraat te wenden om het te overtuigen hen in hun opzet te steunen. Kortom, dit is wat wij maçons, uit zorg voor harmonie binnen een zelfde lotsgemeenschap, "verenigen wat verdeeld is" noemen. Het is trouwens ook de reden waarom het EFVM / de EVVD opgericht is geworden. Daarom moeten wij, de leden, nu al onze krachten bundelen voor een "Europa anders".
In conclusie is het interessant te noteren dat door het vertrek van Groot-Brittannië, de nieuwe situatie herinnert aan de turbulenties die met de oprichting van de Verenigde Staten van Amerika gepaard gegaan zijn. De leiders van de verschillende Amerikaanse staten, die de revolutie tegen Groot-Brittannië steunden, richtten in 1776 een Unie op, steunend op een confederale constitutie, waarvan de uitvoering in vele opzichten kan vergeleken worden met de huidige, vooral intergouvernementele van de EU. Na de beëindiging van de oorlog met het VK werd het snel duidelijk dat de toepassing van de confederale constitutie voor veel problemen zorgde. De staten beschermden vooral hun eigen belangen en financiële voorrechten, en beschouwden meestal hun eigen constituties en wetten boven de bepalingen van de confederale constitutie. De staten bleven hun eigen munt gebruiken en legden op producten uit andere staten zelfs taxe op. Dit had tenslotte tot resultaat dat de staten in 1786 vaststelden dat de confederale constitutie onbruikbaar was en het jaar erop, in 1787 een nieuwe vergadering samenriepen in Philadelphia om er de confederale constitutie bij te werken. Na 15 dagen vruchteloze onderhandelingen besloten de deelnemers deze in de vuilbak te gooien en de onderhandelingen te hervatten vanaf nul. Het resultaat was de federale constitutie van de Verenigde Staten van Amerika, vandaag nog steeds van kracht, met een sterke federale regering. Van de 13 deelnemende staten weigert Maine evenwel tot de nieuwe Unie toe te treden. Dertien jaar later echter bedenkt Maine zich en wordt eveneens een van de staten van de USA.
Hoe kunnen we die overstap van een confederatie naar een federatie verklaren? Voor een groot deel omdat de founding fathers tenslotte begrepen hebben dat een dergelijke confederatie geen leefbare politiek-economische structuur was.


De Raad van Bestuur